Zoals beloofd het vervolg van de wapens van het oude Japan.
Japan staat bekend om zijn verfijnde cultuur en zijn verfijnde wapens. Maar zowel zijn cultuur als zijn wapens konden erg bruut zijn.
Een voorbeeld van zo’n bruut wapen is de tetsubo. Bo staat dan voor hout en testsu voor ijzer. We hebben het dan over een houten knuppel van ongeveer 1,3 meter met stalen knoppen. Bedoeld om om lichte bepantsering en de botten van de drager te verbrijzelen en de vijandelijke zwaarden te breken. Het is een wapen dat door de grotere en sterkere krijgers moet worden gehanteerd. Ook tengu(kwelgeesten) en oni(demonen) werden soms afgebeeld met tetsubo.![]()
Maar ook een bruut wapen kan weer efficiënter worden gemaakt.
De chigiriki is zo’n wapen. Door de ketting geeft een zwaai een versnelling aan de stalen kogel aan het eind. Bovendien kunnen wapens van de tegenstander verstrikt raken in de ketting. De lange paal geeft in het laatste geval veel grip en moment en dus controle over die verstrikte wapens. Niet zo lief.
Een interessant zwaaiend wapen met nog meer finesse is de kusarigama. Kusari is het ketting gedeelte met bal. En de kama de sikkel. Een gevecht met een tegenstander met dit wapen kostte Musashi. volgens de overlevering bijna de kop. Terwijl de steeds zwaaiende bal en ketting een ledemaat of wapen dreigen te verstrikken of verbrijzelen is de vlijmscherpe kama klaar om een ledemaat af te snijden. Op korte afstand werkt het andersom en kan met de kama worden afgeweerd om met de ketting af te maken.
Is een kusarigama al minder voor het slagveld bedoeld en meer voor een één op één gevecht dan een chigiriki, voor een manrikikusari geldt dat nog meer. Ook is dit wapen erg geschikt om mensen op te brengen als arrestant. Een zwaard kan er mee worden afgepakt. Bovendien is het makkelijk verborgen mee te nemen. Zou dit al voor politie geschikt zijn, sommige wapens waren erg geschikt om dronken samoerai van hun zwaard te ontdoen zonder ze per se te hoeven vermoorden.
De jitte is zo’n wapen. Met een paar kan een zwaard worden afgepakt en de eigenaar een ferme tik worden gegeven. Deze samoerai kan dan vol schaamte en met hoofdpijn de volgende dag weer om zijn zwaard komen vragen. Een dood clanlid is bij een eilandbevolking al gauw reden tot vendetta. Dus een licht gekrenkt ego is dan een mooie oplossing van een gevaarlijke situatie: een dronken zwaardvechter met een scherp stuk staal.


Een vergelijkbaar wapen is een set sai. De versie die door ninja werd gebruikt was dan wel om te doden en dus ook aangescherpt. De overeenkomst tussen deze wapens is eigenlijk dat ze allemaal de mogelijkheid bieden om iemand te verslaan die zijn hele leven lang studeert op het zwaardvechten. Beter kunnen zwaardvechten kan dan een oplossing zijn. Maar dat kent meestal maar één afloop… En het is niet altijd mogelijk. Deze wapens gaan voorbij aan de zwaardvechtkunst en kennen daarom andere mogelijkheden, zoals arrestatie. In dat opzicht is dit een interessante tactische zet: meet je niet met het sterke punt van je vijand, maar laat je vijand zich meten met jouw sterke punt.

Wanneer we het toch over ninja (zij die stiekem zijn) hebben, dan gaat er ineens een heel boek met Japanse wapens open. Deze wapens hebben allemaal iets gemeen: Ze zijn verborgen te dragen, vaak stiller, robuuster en een stuk goedkoper dan de meestersmeedwerken die de samoerai droegen. Zo’n wapen is makkelijker in te zetten. Je hoeft veel minder bang te zijn dat het beschadigt en kunt dus makkelijker vechten. En je hoeft minder rijk te zijn.

De kyoketsu shoge is ook weer een flexibel wapen. Erg geschikt om wapens en mensen mee te verstrikken, maar ook geschikt om mee te klimmen en te gooien.
Erg beroemd zijn natuurlijk de shuriken. Wij maakten die vroeger zelf, toen het nog mocht. Naast de bekende stervormen zijn er ook naaldvormen. Met deze wapens kunnen mensen op afstand worden uitgeschakeld, zonder dat men het gevecht hoeft aan te gaan.
De naaldvormen zijn moeilijker te hanteren, maar er kunnen er meer van worden meegedragen. Bovendien kan, door hun vorm, op een veilige wijze, een giftige variant worden gehanteerd. De giftige punt zit namelijk maar aan één kant en kan ergens in worden bewaard.
Ik heb nog meer plaatjes van bekende en minder bekende Japanse wapens. Maar dat zien we wel in deel drie.

Rond het jaar 1000 vochten de meeste Japanse krijgers te paard. Hun voornaamste wapens waren de boog (yumi) en en het rechte zwaard. Waarschijnlijk werd het bereden boogschieten (yabusame) uit Korea geïmporteerd. De Japanse beoog is bekend om zijn asymmetrische vorm.
En de tachi was daarmee geboren. Een tachi onderscheidt zich van een katana door, over het algemeen, een grotere lengte en dikte en kromming. Maar vooral door een andere draagwijze. De tachi wordt met de snede omlaag gedragen, net als Europese cavaleriesabels. Aan twee koorden of kettingen. Dit maakt het mogelijk het zwaard te trekken vanaf een paard, zonder het eigen paard het hoofd af te hakken.
De katana is een echt infanteriewapen. Rennen met een zwaard aan een koord is irritant. Het is dan veel handiger om het zwaard stevig in de obi te dragen met de snede omhoog. vanaf +-1200 nC. werd de groep krijgers in Japan enorm vergroot. Het krijgertje spelen wordt iets minder elitair. Dit is ook terug te zien in de gemiddelde kwaliteit van de wapens die worden gebruikt. En met kwaliteit bedoel ik niet zozeer de staalkwaliteit, als wel de algehele afwerking en de luxe van van de materialen.
Maar met het groter worden van de groep krijgers en de bijbehorende veldslagen, wordt ook het scala aan gebruikte wapens groter. Een paard is bijvoorbeeld duur om te hebben, maar het geeft een grote impact in een charge. daarom gebruikt de politie ze nog. Een oplossing voor een tegenstander is dan een groter zwaard. Met een o-dachi (groot zwaard) of zelfs een no-dachi (veldzwaard) kan een paard in een keer een hoofd worden afgehakt.
Met een nagamaki (lang omwikkelde tsuka) kan men kracht zetten en dwars door zwaarden bepantsering en yari heen hakken. Een nagamaki heeft een veel dikkere kling dan de meeste zwaarden.

Een oplossing voor samoerai is dan weer om de nagamaki op een staf te zetten en zo de naginata (maaiend zwaard) te creëren. Deze hellebaarden zijn een stuk zwaarder dan de nu nog veel geziene, lichtere, vrouwenversie. Een naginata sloeg zo de benen onder een krijger of paard weg. De Yamabushi (letterlijk bergkrijgers, maar meestal krijgsmonniken) vochten vaak en succesvol met naginata.

Ernst Jünger beschrijft ook hoe hij aan het eind van de oorlog nieuwe tactieken ontwierp. Daar hebben ze na de grote oorlog nog eens goed naar gekeken.





